Onderstaand de bedenkingen van HHG tegen hetbestemmingsplan De Grienden en De Meenten, gemeente Almere.


Aan het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland
Postbus 55
8200 AB Lelystad

Betreft: bedenkingen tegen bestemmingsplan De Grienden en De Meenten, gemeente Almere


Almere, 29 januari 2003

Geacht College,

Op 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Almere het bestemmingsplan De Grienden en De Meenten vastgesteld. Wij hebben tegen het ontwerp bestemmingsplan zienswijzen ingediend, die niet zijn gehonoreerd. Weliswaar vermeldt het raadsbesluit dat deze zienswijzen “deels wel en deels niet” zouden zijn overgenomen, maar naar onze mening zijn de zienswijzen in het geheel niet overgenomen en dus in feite ongegrond verklaard.

Wij hebben dan ook de volgende bedenkingen tegen het vastgestelde bestemmingsplan:

Aantasting van het openbaar groen

Het bestemmingsplan doet het groene karakter van de wijk De Grienden en De Meenten geweld aan, op de volgende wijze.
De bestemming Verblijfsgebied in het ontwerp maakt verharding mogelijk, zoals voor parkeerterreinen. Aan het percentage verharding is geen maximum gesteld, zodat het gehele bestemmingsvlak kan worden verhard. De openbare ruimte binnen de buurten is in die bestemming opgenomen, inbegrepen het openbaar groen. Alleen de grote stukken openbaar groen zijn - op de randen langs entreewegen na - in de bestemming Groenvoorzieningen geregeld, in welke bestemming niet mag worden verhard (alleen verhardingen ten dienste van de bestemming zijn toegestaan).
Het nieuwe bestemmingsplan voorziet aldus in totale verharding van de openbare ruimte binnen de buurten, inbegrepen alle kleinere groenelementen. Dit betekent een teruggang in vergelijking met het ‘oude’ bestemmingsplan, waarin de kleinere groenelementen als groen zijn bestemd of zijn aangeduid als te handhaven beplanting binnen de bestemming Verblijfsgebied.
Ook het bestemmen van de randen van grote groenelementen, stroken groen langs entreewegen, als Verblijfsgebied betekent een aantasting van het groene karakter. In het bestemmingsplan De Wierden en De Velden staat, dat ‘bij de entrees van de wijken het groen zoveel mogelijk binnen de bestemming ‘Groenvoorzieningen’ wordt opgenomen om het groene karakter van de wijk bij binnenkomst te waarborgen’. Idem in het bestemmingsplan De Marken. Waarom geldt dat adagium niet voor de wijkentrees binnen het plangebied Grienden en Meenten?

In de Notitie Zienswijzen Grienden en Meenten d.d. 19 september 2002 staat dat de ‘op zichzelf staande groene elementen die belangrijk zijn voor de woonkwaliteit en waar flexibiliteit bij de inrichting van het openbaar gebied minder noodzakelijk wordt geacht, zijn bestemd voor Groenvoorzieningen’. In het bestemmingsplan is van die opvatting echter weinig te merken, omdat vrijwel alle kleinere groenelementen binnen de bestemming Verblijfsgebied zijn geregeld.

Het groen in de woonomgeving, hoe klein van omvang soms ook, is van uitermate groot belang voor de woonkwaliteit. Kortom: alle groen is belangrijk voor de woonkwaliteit en dient dan ook te worden bestemd voor Groenvoorzieningen.

Waarom flexibiliteit bij de inrichting van de openbare ruimte zo noodzakelijk zou zijn, en boven rechtszekerheid voor de burger zou moeten worden gesteld, vermogen wij niet in te zien. Het bestemmingsplan De Grienden en De Meenten zou - zoals alle in de inhaalslag begrepen bestemmingsplannen - volgens de gemeentelijke aankondiging van dat plan in het Groene Weekblad dienen ter vastlegging van de toen ontstane situatie en het kunnen inspelen op door bewoners geuite behoeften.
De gemeente heeft sedertdien parkeerplaatsen aangelegd binnen het plangebied op gronden met een groenbestemming. De gemeente handelde aldus in strijd met het bestemmingsplan.
Gezien de doelstelling, dat het nieuwe bestemmingsplan de in de loop der tijd ontstane situatie zou regelen en zou inspelen op gebleken behoeften vanuit de bewoners, had het voor de hand gelegen als de nieuwe parkeerplaatsen binnen de bestemming Verblijfsgebied zouden zijn geregeld, waarmee zij meteen waren gelegaliseerd, terwijl het resterend groen zou zijn bestemd voor Groenvoorzieningen, conform de werkelijke situatie.
In het nieuwe bestemmingsplan komt echter de mogelijkheid voor van verdere aanleg van parkeerplaatsen op gronden met in het ‘oude’ plan een groenbestemming. Op die gronden is in het nieuwe plan de bestemming Verblijfsgebied gelegd, hetgeen verharding voor parkeerplaatsen mogelijk maakt. Aan deze bestemmingswijziging liggen naar we mogen aannemen geen wensen van bewoners ten grondslag. Enige motivatie voor deze ingreep ontbreekt.

Wij hebben de gemeente verzocht om de bestemmingsgrenzen zoals die in het ‘oude’ bestemmingsplan zijn aangebracht tussen de bestemmingen Groendoeleinden en Verblijfsgebied over te nemen in het nieuwe plan, zodat aanvullende verharding voor parkeren niet mogelijk zou zijn binnen het bestaande groen. Mocht in de toekomst vanuit de bewoners de wens kenbaar gemaakt worden tot verdere aanleg van parkeerplaatsen in het groen, dan kan voor de situaties in kwestie een planprocedure worden gevolgd.

De vereniging protesteert - samenvattend - tegen het mogelijk maken van vrijwel algehele verharding van de openbare ruimte binnen de buurten en pleit voor het wederom opnemen van de kleinere groenelementen in de groenbestemming of als te handhaven beplanting binnen de bestemming Verblijfsgebied - conform het ‘oude’ bestemmingsplan.


Mogelijke verbreding van wegen

De bestemming Verblijfsgebied is in het plan ook gelegd op de stroken groen langs de Weg door de Meenten. Deze weg zou aldus kunnen worden verbreed ten koste van het openbaar groen langs deze weg. In de toelichting op het bestemmingsplan komt deze mogelijkheid tot verbreding echter niet voor; een motivatie ontbreekt. In het ‘oude’ bestemmingsplan zijn de stroken beplanting langs de weg in de groenbestemming opgenomen.

Wij pleiten er voor om de stroken groen langs de Weg door de Meenten wederom onder te brengen in de groenbestemming in plaats van die stroken te bestemmen tot Verblijfsgebied.

In de toelichting op het plan is een tekst opgenomen, waarin wordt gesteld dat ‘veranderingen in de inrichting van het openbaar gebied (dat is: binnen de bestemming Verblijfsgebied) niet zullen plaatsvinden zonder participatie van bewoners/omwonenden'.

De in de participatie regeling genoemde ‘criteria voor werkwijze’ beschrijven de voorgenomen gang van zaken indien het voornemen of de wens bestaat om de inrichting van een verblijfsgebied te wijzigen van ‘groen’ naar ‘grijs’, dus verharding.
Hierbij wordt verschil gemaakt tussen gebruiksveranderingen die al dan niet sterk ingrijpen.
In het ene geval wordt een zware, in het andere een lichte procedure gevolgd.

In de voorgestelde werkwijze maakt de ambtelijke dienst uit, in welke gevallen de ene, dan wel de andere procedure wordt bewandeld. De dienst maakt immers uit, wanneer een voorgenomen of gewenste wijziging voldoende ingrijpend is om de ‘zware’ procedure te rechtvaardigen.
Ook voor het verdere verloop van de procedures geldt, dat het de ambtelijke dienst is, die alles bepaalt. Wie belanghebbende is en wie niet. Hoe de ‘uitslag van de peiling’ of die van ‘de enquete’ wordt geduid. De verwerking van de uitkomsten van een consultatie, een peiling of een enquete en het formuleren van daaraan te verbinden conclusies is aan de ambtelijke dienst voorbehouden. De wethouder wordt er bij gehaald, als de dienst er niet uit komt.
De bewoner moet maar afwachten, of hij/zij wel als ‘belanghebbende’ wordt beschouwd, welke procedure gevolgd wordt en wat er met zijn of haar inbreng in die procedure gebeurt.
Besluit de ambtelijke dienst, dat een bepaald groengebied verhard kan worden, omdat ‘de uitslag van de peiling’ c.q. ‘de enquete’ zo dient te worden geduid, dan kan de bewoner niet meer dan lijdzaam toezien, hoe het groengebied plaatsmaakt voor weer een parkeerstrook of vuilcontainer. De wettelijke beroepsmogelijkheden zijn beperkt tot het aanvechten van de zorgvuldigheid die in de - vastgestelde- procedure is gevolgd. Daarmee zal de verharding als zodanig niet zijn tegen te houden en dat kan wel als de bestemming die van ‘Groenvoorzieningen’ is en voor beoogde verharding een vrijstellingsprocedure wordt bewandeld. In dat geval, zijnde de oorspronkelijke situatie, biedt de WRO de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen en garandeert daarmee rechtszekerheid voor de burger. Ook dan kan verharding alsnog het resultaat zijn van de besluitvorming, maar in dat geval is althans een procedure gevolgd, waarin in eerste instantie B&W een rol spelen in de afweging en in tweede instantie GS. In de nu voorgestelde werkwijze zijn het alleen de ambtenaren, die het voor het zeggen hebben, met de wethouder om knopen door te hakken, als de dienst haar die knoop aanbiedt.

In de gemeentelijke participatie regeling wordt gesteld, dat ‘altijd een beroepsmogelijkheid voor belanghebbenden blijft gegarandeerd’, in het kader van de Algemene wet bestuursrecht en de Inspraakverordening. Ons inziens stelt die beroepsmogelijkheid echter niet veel voor. Belanghebbenden kunnen alleen de gang van zaken bij het volgen van een procedure aanvechten, dus de mate van zorgvuldigheid die in acht is genomen. Tegen verharding van een groengebied - dat de bestemming Verblijfsgebied heeft - als zodanig is geen beroep mogelijk, want de bestemming voorziet in mogelijke verharding.
Dat betekent een essentieel verschil ten opzichte van de oorspronkelijke situatie, waarin het groen een beschermde status had, zij het dat de gemeente binnen dat groen parkeerplaatsen heeft aangelegd zonder vrijstellingsprocedures daartoe te hebben gevoerd.

Wij hebben om bovengenoemde redenen weinig vertrouwen in de gemeentelijke participatie regeling, inmiddels ook wel ‘samenspraak’ genoemd.

Wij verzoeken het College om goedkeuring te onthouden aan de bestemming Verblijfsgebied, voor zover gelegd:
op de bestaande kleinere groenelementen en entrees van buurten en
op de stroken groen langs de Weg door de Meenten.

Graag worden wij in de gelegenheid gesteld om onze zienswijzen nader toe te lichten.


Hoogachtend,


Drs G.J.M. Slokkers, bestuurslid

naar boven